Wat is het Staatsexamen NT2 Lezen?
Met het Staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT2) laat je zien dat je goed genoeg Nederlands kent om te studeren of te werken in Nederland. Het examen heeft vier onderdelen: Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken. Er zijn twee programma's: Programma I op niveau B1 (voor bijvoorbeeld mbo 3 en 4) en Programma II op niveau B2 (voor hbo en universiteit). Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) maakt het examen. Je meldt je aan en betaalt via DUO.
Op deze pagina oefen je alleen voor het onderdeel Lezen. Luisteren, Schrijven en Spreken zitten niet in deze oefentest.
Hoe ziet het examen Lezen eruit?
- Je leest 6 teksten en beantwoordt 36 meerkeuzevragen (in de officiële instructievideo staat 35 of 36). Elke vraag heeft één goed antwoord.
- De teksten staan in een papieren boekje. De vragen beantwoord je op de computer.
- Je hebt 110 minuten bij Programma I en 100 minuten bij Programma II (examenreglement 2026).
- Je mag alleen je eigen papieren Van Dale Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal (NT2) gebruiken.
- Je krijgt 1 punt per goed antwoord. Dat wordt omgerekend naar een score. Met een score van minimaal 500 is het onderdeel voldoende.
- Volgens DUO kost het examen € 50 per onderdeel.
Wat is niet gepubliceerd?
Hoe je punten worden omgerekend naar de score van 500 is niet gepubliceerd. Je weet dus niet precies hoeveel vragen je goed moet hebben. Er is ook geen officiële verdeling van de vragen over de soorten vragen.
Wat oefen je hier?
Het echte examen werkt met zes langere teksten met telkens meerdere vragen. Wij gebruiken korte teksten met één vraag per tekst, zodat je elke vraag los kunt maken. Ons oefenexamen heeft 36 vragen, net zoveel als het echte examen. Omdat onze teksten korter zijn, geven we je 60 minuten. Daarnaast oefen je woordenschat en grammatica in context. Dat zijn geen aparte onderdelen van het echte examen, maar ze helpen je om teksten beter te begrijpen.
Welke soorten vragen komen aan bod?
- Onderwerp, doel en doelgroep: waar gaat de tekst over, waar komt hij vandaan en voor wie is hij bedoeld?
- Betekenis van een tekstdeel: wat bedoelt de schrijver met een zin of een alinea?
- Verbanden en signaalwoorden: oorzaak en gevolg, tegenstelling, voorbeeld en conclusie, met woorden als daardoor, toch en kortom.
- Standpunt, toon en conclusie: wat vindt de schrijver, en welke conclusie past bij de tekst?
- Informatie opzoeken en combineren: data, regels en voorwaarden vinden en samen gebruiken.
- Woordenschat in context: de betekenis van een woord afleiden uit de zin.
- Grammatica in context: verwijswoorden, tijden en zinsbouw die de betekenis bepalen.
Zo bereid je je goed voor
- Lees eerst de vraag. Dan weet je waar je in de tekst naar zoekt.
- Let op signaalwoorden. Woorden als maar, toch, daardoor en dus laten zien hoe zinnen met elkaar samenhangen.
- Kies wat er staat. Het goede antwoord staat in de tekst, niet wat jij zelf vindt of wat normaal is.
- Verdeel je tijd. Met 36 vragen in 100 of 110 minuten heb je ongeveer 3 minuten per vraag, inclusief het lezen.
- Oefen met je woordenboek. Zoek woorden snel op in de Van Dale Pocketwoordenboek NT2, maar zoek niet elk woord op.
Gecontroleerd aan de hand van staatsexamensnt2.nl, het examenreglement Staatsexamens NT2 2026 en DUO. Laatst gecontroleerd: oktober 2026.
Testklaar is een onafhankelijk oefenplatform. We zijn niet verbonden aan het College voor Toetsen en Examens (CvTE), DUO of de overheid, en onze vragen zijn geen echte examenvragen. We schrijven alle teksten en vragen zelf. Het echte examen doe je via DUO.
Oefenvragen met antwoorden
Klik op een vraag om het juiste antwoord en de uitleg te zien.
Lees de tekst. 'Heeft u een oude fiets in de schuur staan? Lever hem zaterdag in bij buurthuis De Linde. Vrijwilligers maken de fietsen weer rijklaar en geven ze aan gezinnen die er zelf geen kunnen kopen.' Wat is het doel van deze tekst?
- Lezers uitleggen hoe ze zelf een fiets kunnen repareren
- Reclame maken voor een fietsenwinkel in de buurt
- Lezers vragen om een fiets te geven
- Gezinnen uitnodigen om goedkoop een fiets te kopen
Antwoord: C, Lezers vragen om een fiets te geven. De tekst roept lezers op hun oude fiets in te leveren. Het is dus een oproep om iets te geven.
'Na de fusie bleef er van het oude bedrijf weinig over. Toch hield de directeur vol dat er niets veranderd was.' Wat bedoelt de schrijver met de tweede zin?
- Dat wat de directeur zei, niet klopte met de werkelijkheid
- Dat de directeur erg blij was met de fusie
- Dat de directeur het bedrijf snel wilde verlaten
- Dat de directeur niets wist van de fusie
Antwoord: A, Dat wat de directeur zei, niet klopte met de werkelijkheid. 'Toch' zet de bewering van de directeur tegenover het feit dat er weinig overbleef. De schrijver laat zien dat die bewering niet klopt.
'___ hij hard had gestudeerd, haalde hij een onvoldoende.' Welk woord past op de open plek?
- Omdat
- Hoewel
- Zodat
- Doordat
Antwoord: B, Hoewel. Hard studeren en toch een onvoldoende halen is een tegenstelling. 'Hoewel' leidt een toegeving in.