Wat is het Wft-examen Vermogen?
Adviseer je consumenten over sparen en beleggen, over lijfrente of over vermogensopbouw met een levensverzekering? Dan moet je volgens de Wet op het financieel toezicht (Wft) vakbekwaam zijn. Volgens het CDFD heb je met de module Vermogen en de module Basis de beroepskwalificatie Adviseur Vermogen. Je doet het examen bij een exameninstituut dat door het CDFD is erkend. Het examen is alleen in het Nederlands.
Vermogen is een brede en pittige module. Je moet de regels kennen, maar vooral kunnen toepassen: een klantprofiel opstellen, uitleggen wat een standaarddeviatie zegt, rekenen met box 3 en de jaarruimte, en een klant eerlijk vertellen wat een beleggingsobject of een gestructureerd product kan kosten.
Hoe ziet het examen eruit?
Volgens het CDFD bestaat het examen Vermogen vanaf 1 april 2026 uit 46 vragen in 135 minuten, goed voor 72 punten. Er zijn drie soorten vragen:
- Kennis en begrip (KB): 20 vragen van 1 punt.
- Professioneel gedrag (PG): 1 vraag van 2 punten over een dilemma uit de praktijk, bijvoorbeeld een fraudesignaal, een belangenconflict of doorverwijzen.
- Vaardigheden en competenties (VC): 25 vragen van 2 punten. Dit zijn vooral casusvragen, vaak met een berekening. Samen zijn ze 50 van de 72 punten waard.
Je slaagt als je 68 procent van de punten haalt, dus 48,96 van de 72 punten. Dan krijg je een 5,5, en dat wordt afgerond naar een 6. Binnen twee werkdagen krijg je de uitslag per mail van DUO. Heb je een 4 of 5 gehaald, dan kun je binnen twee weken na de uitslagmail via Mijn Wft een inzage plannen, maximaal één keer per half jaar per examen. Je krijgt dan 20 minuten om je fout gemaakte vragen met het juiste antwoord te zien, zonder uitleg en onder toezicht.
Volgens de kandidatenbrochure van het CDFD zijn er multiple-choicevragen met drie of vier antwoorden, maar ook keuzelijsten, rangschikvragen en numerieke vragen waarbij je zelf een getal invult. Er is een niet-programmeerbare rekenmachine beschikbaar. In deze oefentest zijn alle vragen meerkeuzevragen met vier antwoorden, ook de rekenvragen. Zo zie je direct of je goed zat.
Welke onderwerpen komen aan bod?
De examenvragen zijn gebaseerd op de eind- en toetstermen van de module Vermogen. Wij hebben de stof verdeeld over acht onderdelen:
- Wet- en regelgeving en zorgplicht: artikel 4:23, 4:24 en 4:24a Wft, geschiktheid en passendheid, execution only, het nationaal regime, de Wwft, marktmisbruik, handelingsbekwaamheid, bewind en huwelijksvermogensrecht.
- Klantprofiel en risicoprofiel: inventariseren, risico dat de klant kan en wil lopen, beleggingshorizon, doelen met prioriteit, en levensgebeurtenissen zoals scheiding, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid.
- Economie en financiële markten: groei, inflatie, korte en lange rente, valutakoersen en wat die betekenen voor aandelen, obligaties en vastgoed.
- Beleggingsinstrumenten en beleggingsinstellingen: aandelen, obligaties, opties, icbe's en abi's, ETF's, gestructureerde producten, beleggingsobjecten, het EID, de prospectus en kosten.
- Risico, rendement en spreiding: standaarddeviatie en normale verdeling, correlatie, strategische assetallocatie, samengesteld rendement en rebalancing.
- Fiscaliteit: box 3 in 2026 met de tegenbewijsregeling, de jaarruimte en reserveringsruimte, revisierente, schenk- en erfbelasting en het erfrecht.
- Lijfrente, levensverzekering en pensioen: soorten lijfrenten, bancair sparen versus verzekeren, begunstiging, uitvaartverzekering, AOW, Anw en keuzes in de pensioenregeling.
- Advies, beheer en integriteit: fraudesignalen, belangenconflicten, privacy, doorverwijzen, vastleggen en nazorg.
Let op de omslagdatum
Het CDFD past de examens één keer per jaar aan, op 1 april. Examens vanaf 1 april 2026 gaan uit van de wet- en regelgeving zoals die op 1 januari 2026 gold. Bij dit examen is dat extra belangrijk, want bedragen als het heffingsvrij vermogen in box 3, de forfaitaire rendementen, de jaarruimte en de vrijstellingen voor schenken en erven veranderen elk jaar. Onze vragen zijn gebaseerd op de toetstermen die gelden vanaf 1 april 2026 en op de wetteksten en bedragen van 2026, die wij in oktober 2026 hebben nagelezen. Waar een vraag een bedrag noemt dat elk jaar verandert, staat erbij dat het om 2026 gaat.
Zo bereid je je goed voor
- Reken veel. De VC-vragen leveren 50 van de 72 punten op. Oefen box 3, de jaarruimte, schenkbelasting, samengesteld rendement, obligatiekoersen en scenario's met de standaarddeviatie tot je ze vlot kunt.
- Ken de bedragen van 2026. Heffingsvrij vermogen € 59.357, 6% forfaitair rendement op beleggingen, 36% tarief, AOW-franchise € 19.172 en maximaal € 42.753 reserveringsruimte.
- Snap de zorgplicht. Weet wanneer je een geschiktheidsbeoordeling doet, wanneer een passendheidstoets volstaat en wat je moet vastleggen.
- Denk als adviseur. Vraag je bij elke casus af wat de klant kan en wil, welk doel voorgaat en waar je moet doorverwijzen.
- Lees de uitleg, ook als je het goed had. Bij elke vraag staat het wetsartikel, de toetsterm of de officiële bron die erachter zit.
- Oefen op tijd. Je hebt gemiddeld bijna drie minuten per vraag. Maak een paar oefenexamens van 46 vragen in 135 minuten.
Testklaar is een onafhankelijk oefenplatform. We zijn niet verbonden aan het CDFD, DUO, de AFM, DNB, de Belastingdienst, een exameninstituut of de overheid, en onze vragen zijn geen echte examenvragen. Je examen plan en betaal je zelf bij een erkend exameninstituut.
Oefenvragen met antwoorden
Klik op een vraag om het juiste antwoord en de uitleg te zien.
Welke informatie moet een adviseur volgens artikel 4:23 Wft inwinnen voordat hij een klant adviseert over een vermogensproduct?
- Alleen de doelstellingen en het gewenste rendement van de klant, verder niets
- Inkomen, beroep en de waarde van de eigen woning
- Financiële positie, kennis, ervaring, doelen en risicobereidheid
- Alleen de kennis en ervaring van de klant met beleggen in de afgelopen vijf jaar
Antwoord: C, Financiële positie, kennis, ervaring, doelen en risicobereidheid. Artikel 4:23 lid 1 onder a Wft: bij advies wint de onderneming informatie in over de financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voor zover redelijkerwijs relevant voor het advies (toetsterm 1d.2).
Een klant van 35 met een vast contract en € 80.000 vrij spaargeld zegt dat hij slapeloze nachten krijgt van elke koersdaling. Wat zegt dit over zijn risicoprofiel?
- Hij kan weinig risico dragen en wil ook weinig risico lopen, dus beide wijzen dezelfde kant op
- Zijn gevoel speelt geen rol, alleen zijn financiële positie telt mee in het profiel
- Hij kan veel risico dragen, maar wil weinig risico
- Hij wil veel risico lopen, maar kan dat financieel eigenlijk niet dragen
Antwoord: C, Hij kan veel risico dragen, maar wil weinig risico. Toetsterm 1g.10: er kan een verschil zijn tussen hoeveel risico een klant kan lopen (financiële positie, horizon) en hoeveel risico hij wil lopen (risicobereidheid). Beide horen bij het klantprofiel van artikel 4:23 Wft; je bespreekt het verschil met de klant.
Wat is inflatie?
- Een stijging van de waarde van de euro ten opzichte van de dollar
- Een daling van de rente die de centrale bank aan banken vraagt
- Een algemene stijging van het prijspeil
- Een daling van de economische groei gedurende twee kwartalen achter elkaar
Antwoord: C, Een algemene stijging van het prijspeil. Toetsterm 1f.2: inflatie is een algemene stijging van het prijspeil. Met hetzelfde bedrag kun je dan minder kopen. In Nederland wordt inflatie meestal gemeten met de consumentenprijsindex (CPI) van het CBS.